Een wereldkaart aan de muur naast het bed kan een bron van eindeloze verhalen zijn. Kinderen kijken graag naar kleuren, vormen en namen, en met een beetje fantasie wordt elke plek op de kaart een avontuur. Voor het slapengaan kan de kaart dienen als vertrekpunt: waar reizen we vanavond naartoe? Zo krijgt het verhaaltje een vast decor, en het kind een eigen kijk op de wereld.
Hang de kaart laag genoeg, zodat het kind hem kan aanraken. Met kleine stickers of vlaggetjes kun je plaatsen markeren: waar oma woont, waar jullie op reis waren, waar een dier vandaan komt. Laat het kind elke avond een plek kiezen en met een vinger aanwijzen. Zo is het kind zelf de kapitein, en jij de reisleider die het verhaal verzint.
Verhalen bij een plek
Vertel over wat er op die plek te zien zou kunnen zijn: een land met sneeuw en lange nachten, een eiland met palmbomen, een berg met wolken, een grote rivier. Je hoeft niets te weten over het echte land, want het is een verzonnen reis. Vraag het kind wat het daar zou eten, wie het zou ontmoeten en welke dieren het zou zien. Zo groeit het verhaal uit de antwoorden.
Boeken uit de bibliotheek over verre plaatsen kunnen het verhaal ondersteunen. Een prentenboek over een land, een sprookje uit een andere cultuur of een kinderatlas geeft nieuwe ideeën. Ook een brief of een kaartje van familie in het buitenland past bij de kaart. Het kind ziet dat verre plaatsen echt bestaan en dat mensen die het kent er misschien wonen.
Sluit elk verhaal rustig af. De reis eindigt in de slaapkamer, in het bed, onder de deken, en de plek op de kaart blijft daar waar ze is, tot morgen. Je kunt afspreken dat de reis de volgende avond verdergaat, naar een ander punt. Zo wordt de kaart een vaste vriend van het avondritueel, en kijk je samen naar een wereld die groter is dan de slaapkamer en toch dichtbij voelt.